De cardioloog kan de hoeveelheid bloed meten die per hartslag door het hart wordt uitgepompt. Daaruit berekent hij de zogenaamde ejectie fractie, afgekort als EF.

Hij meet daartoe hoeveel bloed er in het hart zit juist vóórdat het hart slaat, zeg maar wanneer het gevuld is.

Vervolgens meet hij hoeveel bloed er in het hart achterblijft juist ná de hartslag. Het verschil tussen die twee hoeveelheden is de hoeveelheid uitgepompt bloed. De hoeveelheid uitgepompt bloed, uitgedrukt als percentage van de hoeveelheid bloed in het gevulde hart, noemt men de ejectie fractie. Mede aan de hand van de EF kan de cardioloog beoordelen of het hart met verloop van tijd beter of slechter gaat pompen of juist stabiel blijft. Patiënten moeten echter weten dat de EF verre van volledig maatgevend is voor een goede bloedsomloop.

Ejectie fractie, wat zegt dat?

Normaal gesproken wordt met elke hartslag ongeveer 2/3 deel, ofwel 60%, van het aanwezige bloed weggepompt. De ejectie fractie (EF) is dan 60%. Als er een EF van 30% is, wordt dus de helft van de normale hoeveelheid weggepompt. Als er sprake is van hartfalen, is de EF in het algemeen minder dan 40%. Als de EF tussen de 40 en 55% ligt, is dit ook abnormaal, maar zullen de symptomen van hartfalen ook nog door andere omstandigheden worden verklaard. De pompfunctie is in verhouding dan nog te goed om hartfalen te veroorzaken. Misschien is er dan bijvoorbeeld ook nog bloedarmoede of een ritmestoornis.

De EF is een goede objectieve maat om een indruk te hebben van de pompfunctie van het hart. Echter, aan dit getal kan slechts met belangrijke beperkingen een waarde worden toegekend. De natuur, en zeker zoiets ingewikkelds als het hart, laat zich niet vangen in een getalletje. Alles is relatief. Zo zal het vermogen van spieren en organen om zuurstof op te nemen mede het rendement van de bloedsomloop bepalen. Als spieren getraind worden zal dit een betere zuurstofopname tot gevolg hebben. Twee patiënten met dezelfde EF, maar met verschillende training van spieren, zullen dus een verschillende mate van hartfalen hebben.
Ook medicijngebruik voor hartfalen zal het getal beïnvloeden.

Het beloop van de EF zegt echter wel veel over de prognose (vooruitzichten), zeg maar over het al of niet toenemen van de hartziekte. Een stijging van 20 naar 30% is in dat opzicht beter dan een daling van 40 naar 30%, ofschoon beide patiënten per saldo een EF van 30% hebben.