Harttransplantatie - De eerste harttransplantatie in het UZA dateert van 1994. Het programma werd opgestart onder leiding van het toenmalige diensthoofd cardiochirurgie professor dokter Adriaan C. Moulijn, die zelf de eerste tien ingrepen uitvoerde.

Van de vijftig eerste patiënten waren er in 2003 nog 46 in leven.

Wie komt in aanmerking?

Harttransplantaties worden voorbehouden aan patiënten die zonder ruilhart niet meer lang te leven hebben.
'Een eerste grote groep zijn patiënten die problemen hebben met de kransslagaders', zegt professor dokter Inez Rodrigus, diensthoofd cardiochirurgie. 'De meesten hebben al een of meerdere hartinfarcten achter de rug, en kampen met ernstige littekenvorming in de hartspier. Een tweede groep zijn mensen van wie het hart faalt zonder aanwijsbare oorzaak.'
Een transplantatiekandidaat moet aan een aantal criteria voldoen. In principe mag hij niet ouder zijn dan 65, en op zijn hartziekte na mag hij geen ernstige gezondheidsproblemen hebben. Na de operatie moet de patiënt immers afweeronderdrukkende medicatie nemen, waardoor bestaande aandoeningen kunnen escaleren.Men moet een zekere discipline aan de dag leggen.
'Mensen die bijvoorbeeld niet kunnen stoppen met roken of overmatig drinken, kunnen we niet toelaten', zegt cardiologe professor dokter Viviane Conraads. 'We beschikken nu eenmaal over een beperkt aantal donororganen, en het is de bedoeling dat daar zo lang mogelijk mee geleefd wordt. Als we dus moeten kiezen tussen iemand die zich perfect aan de regels houdt en iemand die dat niet kan opbrengen, krijgt die eerste persoon de voorkeur.'

Ingreep

Zodra iemand op de lijst belandt, begint een slopende periode van gespannen wachten op het verlossende telefoontje. Komt er een donorhart vrij, dan moet alles heel snel gaan. De transplantatiekandidaat moet ogenblikkelijk naar het ziekenhuis komen, een team vertrekt naar het andere ziekenhuis om het hart op te halen, het transplantatieteam wordt opgeroepen, de operatiezaal wordt in gereedheid gebracht en ook op intensieve zorgen worden de nodige voorbereidingen getroffen. Is het donorhart eenmaal verwijderd, dan is er geen tijd te verliezen. Een hart kan immers maar vier uur bewaard worden.
De transplantatie zelf is een lange en zware ingreep.
'Nadien blijft de patiënt nog een tweetal weken in het ziekenhuis. De meesten knappen snel op. Vaak zitten ze al een week na de operatie op de hometrainer, en het merendeel voelt zich al voor het ontslag beter dan voor de operatie', aldus Conraads.

Eerste jaar na transplantatie

Na de transplantatie is het afwachten of het lichaam het donororgaan zal accepteren. Het eerste jaar is het risico op afstoting het grootst. In die periode moet de patiënt dan ook heel vaak op controle. Om afstoting te voorkomen krijgt hij medicijnen die zijn afweermechanisme onderdrukken. Dat heeft op zijn beurt als gevolg dat hij meer gevaar loopt op infecties. Een harttransplantatiepatiënt moet dan ook de nodige voorzichtigheid aan de dag leggen : hygiënisch leven, opletten met wat hij eet, infectiehaarden vermijden, tijdig zijn medicatie nemen...
Naast de controles is er een intensieve revalidatie van zes maanden, waarvoor de patiënt drie keer per week naar het ziekenhuis komt.

Leven met donorhart

Heeft hij het eerste jaar goed doorstaan, dan blijft de patiënt om de zes weken op onderzoek komen, met daarnaast een jaarlijkse check-up van een paar dagen.
'De patiënt moet er zich bij neerleggen dat hij de rest van zijn leven gevolgd wordt', zegt Conraads. 'Hij blijft ook veel geneesmiddelen nodig hebben. De berg medicijnen die hij voor de transplantatie nodig had, wordt vervangen door een andere berg. De meesten ontwikkelen trouwens bijkomende kwalen : een te hoge bloeddruk. Ook na de transplantatie verloopt het leven van de patiënt dus niet noodzakelijk over rozen. Het UZA besteedt daarom veel aandacht aan psycho-sociale begeleiding.
'Je mag niet onderschatten wat die mensen doormaken', onderstreept Conraads. 'Voor de ingreep zijn ze vaak jaren ziek en werkonbekwaam, met alle sociale, familiale en financiële gevolgen vandien. Daarna is er de enorme spanning van het wachten op een donorhart en na de transplantatie is er de veeleisende revalidatie, én de blijvende angst dat het toch nog fout loopt.'
Desondanks leiden de meeste harttransplantatiepatiënten een vrij normaal leven. De meesten pikken weer hun vertrouwde activiteiten op, en van de jongere patiënten gaan er behoorlijk wat opnieuw aan het werk.

Harttransplantatie is teamwerk

Rodrigus beklemtoont nog dat het succes van het harttransplantatieprogramma zeker niet alleen aan de cardiochirurgen en de cardiologen is toe te schrijven. 'Het slagen van een transplantatie hangt nog van tal van andere mensen af. Denk maar aan de anaesthesisten, de intensivisten, de verpleegkundigen, de kinesisten, de mensen van de cardiale revalidatie en de anatoom-pathologen. Een harttransplantatie is een zaak van teamwerk.'

Eurotransplant zorgt voor correcte verdeling organen

In België worden transplantaties gecoördineerd door Eurotransplant, een organisatie die ervoor zorgt dat de organen correct verdeeld worden. De landen die aan dit programma deelnemen zijn België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk en Slovenië.
'Een donororgaan wordt in de eerste plaats toegewezen op basis van bloedgroep en lichaamslengte. Een hart van een man van een meter vijfentachtig past niet in de borstkas van een vrouw van een meter zestig, en omgekeerd pompt het hart van die vrouw waarschijnlijk niet krachtig genoeg om bij een groot persoon ingeplant te worden. Andere factoren die kunnen meespelen zijn onder meer leeftijd, medische factoren en kwaliteit van het orgaan', legt professor dokter Inez Rodrigus uit.
De identiteit en de woonplaats van de donor blijven strikt geheim.
'Want het zal maar gebeuren dat je als transplantatiepatiënt een overlijdensbericht leest, en beseft dat jij het hart van die persoon hebt gekregen. Ook met dankbetuigingen aan familie van de donor zijn we heel voorzichtig. De patiënt kan hooguit een bedankbriefje doorspelen via de transplantcoördinator.'

Tekort aan donoren

Hét grote probleem binnen het transplantatiegebeuren is het gebrek aan donoren. Door het dalend aantal verkeersdoden - op zich natuurlijk goed nieuws - komen er alsmaar minder donororganen vrij.
'Patiënten worden ook langer in leven gehouden', weet professor dokter Inez Rodrigus. 'Iemand die het ziekenhuis wordt binnengebracht met een ernstige hersenbeschadiging, verblijft dikwijls nog een paar dagen op intensieve zorgen. Als het dan toch nog slecht afloopt, is er dikwijls al een infectie opgetreden en kan de overledene geen donor meer zijn.'
In België is de opting out-regel van kracht. Die bepaalt dat artsen bij elke overledene organen mogen wegnemen, tenzij die persoon bij leven verzet aantekende. Het resultaat is dat België per miljoen inwoners 21 organen ter beschikking stelt, tegenover maar twaalf in de landen waar deze regel niet geldt. 'Gelukkig worden Belgische donorharten in de eerste plaats aan Belgische patiënten toegewezen', zegt Rodrigus.
Familieleden kunnen zich in principe verzetten tegen orgaandonatie. Alleen als iemand via een donorkaart actief te kennen heeft gegeven donor te willen zijn, is dat niet mogelijk.

Eerste harttransplantatie in 1967

De eerste harttransplantatie bij een mens werd uitgevoerd door DR. Barnard, een gebeurtenis die een enorme mediabelangstelling teweegbracht. Nochtans kwam de eer niet uitsluitend aan Barnard toe. De eerste resultaten waren weinig hoopgevend. Zestig van de honderd patiënten overleden binnen de week, en de gemiddelde overlevingsduur bedroeg dertig dagen. Een aantal patiënten glipten echter door de mazen van het net en bleven in leven, sommigen zelfs tot vandaag.
Dankzij die enkele succesverhalen bleven een aantal medici hardnekkig in de mogelijkheden van transplantatie geloven. Maar bij de rest van de medische wereld was het enthousiasme sterk bekoeld. Een echte kentering kwam er pas eind jaren zeventig, toen door allerlei factoren de slaagkansen van een transplantatie sterk toenamen. Eén daarvan was de ontwikkeling van Cyclosporine, een geneesmiddel dat afstotingsverschijnselen onderdrukt.
In de jaren tachtig kwam het transplantatiegebeuren opnieuw op gang, en begin jaren negentig was het aantal harttransplantaties wereldwijd gestegen tot 4.000 per jaar.
België bleef niet achter. De eerste harttransplantatie in ons land vond al plaats in 1981.